1.7 de waardevolle lijnelementen (wle)

De Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Peelland bevat een aantal lijnelementen die op regionaal niveau beschouwd kunnen worden als de ruimtelijke en visuele ‘beelddragers’ van het cultuurlandschap van Peelland. Daarnaast hebben deze lijnelementen in de historische ontwikkeling en cultuurlandschapsgeschiedenis van Peelland aantoonbaar een belangrijke rol gespeeld. Tezamen bepalen ze in hoge mate de ruimtelijke hoofdstructuur van het gebied. Het gaat om de volgende vijf (patronen van) lijnelementen.

 

1              Het stroomsysteem van de Aa
De geleding van Peelland wordt in hoge mate bepaald door de verschillende onderdelen van het stroomsysteem van de Aa. Afgezien van de Aa zelf behoren daartoe in de eerste plaats de hoofdwaterlopen die direct op de Aa afwateren, met name de Landmeersche Loop (voorheen Landweerse Loop), Peelsche Loop, Snelle Loop, Bakelsche Aa, Astensche Aa, Eeuwselse Loop, Kleine Aa en Goorloop. Daarnaast is er een heel netwerk van kleinere aftakkingen van de hoofdwaterlopen, zoals de Kaweische Loop, de Vlier en de Oude Aa in het geval van de Bakelsche Aa. Tenslotte is er het fijnmazige net van nog kleinere stroompjes, niet alleen afwaterend op de reeds genoemde waterlopen, maar ook direct op de Aa. Dat laatste geldt onder andere voor de Meervensche Loop, de Busselsche Loop en de Boerdonksche Aa.

Al deze waterlopen hebben een onderscheidbare rol gespeeld in de bewoningsgeschiedenis van de regio. Langs de oevers van de Aa heeft met name bewoning plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd. Daarna vond men het stroomdal van de Aa blijkbaar te nat en breed voor intensieve bewoning van de aangrenzende dekzandruggen. De meeste nederzettingen zijn in de Middeleeuwen ontstaan langs de kleinere aftakkingen van de Aa. Langs de kleinste stroompjes vinden we vaak landschappen met gehuchten, die ontstaan zijn uit afzonderlijke Middeleeuwse hoeven. Dat is bijvoorbeeld het geval tussen Asten, Someren en Lierop (WCL11), waar in de Middeleeuwen nog sprake was van een nat gebied met laagten en vennen.

De relatie met de bewoningsgeschiedenis maakt duidelijk dat het bij de WLE niet alleen gaat om de waterlopen zelf, maar ook om geassocieerde landschapselementen, zoals de oevers met archeologische bewoningsrelicten, nog bestaande gehuchten en dorpen, groenstructuren, Laat-Middeleeuwse verkavelingsstructuren, etc.

 

2              Het patroon van gegraven waterlopen. De kanalen en vaarten
Op een regionale schaal wordt Peelland ingedeeld door enkele grote kanalen. De oudste is de Zuid-Willemsvaart, gegraven tussen 1822 en 1826 (fig. 4). Door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart werd het voor het eerst mogelijk (en rendabel) om de grote Peelvenen te ontwateren en vervenen. Later werden aan het kanaalstelsel het Eindhovensch Kanaal (1843-1846) en -uiteindelijk- het Wilhelminakanaal (voltooid in 1923) toegevoegd. Met name de Willemsvaart en het Wilhelminakanaal, elk met een lengte van vele tientallen kilometers, betrokken Peelland in grotere, bovenregionale netwerken. Van regionale betekenis waren de vaarten, zoals de Helenavaart en het Kanaal van Deurne. Deze waren primair bedoeld voor de ontwatering van het veen en het transport van turf. Daarnaast treffen we in Peelland ook veel kleinere, gegraven verbindingen tussen de beken en langs grenzen aan. Een voorbeeld daarvan is de Schevelingse Loop bij Aarle-Rixtel. Ook zijn natuurlijke waterlopen kunstmatig verdiept en rechtgetrokken, of bij de ruilverkavelingen genormaliseerd.

Ook in het geval van de kanalen en vaarten gaat het niet alleen om de waterwegen zelf, maar tevens om geassocieerde waarden. De Zuid-Willemsvaart wordt bijvoorbeeld ‘begeleid’ door specifieke architectuur (bruggen en sluizen), woningbouw en industrie, verkeersinfrastructuur en beplanting. Deze geassocieerde waarden verschillen per sectie van het kanaal en dateren uit uiteenlopende fasen van de ‘biografie’ van de Willemsvaart. Ten zuiden van Asten wordt de Zuid-Willemsvaart bijvoorbeeld geflankeerd door een ‘watergangbeplanting’ met zomereiken uit de periode tussen ongeveer 1850 en 1950. Deze beplanting komt elders langs de vaart (althans in het Peellandse deel) niet voor.

 

3              Het regionale net van doorgaande (land)wegen
Dit netwerk wordt grotendeels gevormd door de doorgaande wegen met een hoge ouderdom. Enkele ervan gaan mogelijk terug tot de late prehistorie. In de meeste gevallen verbonden ze de belangrijkste nederzettingen met elkaar, in enkele gevallen ook een nederzetting met een kerk. Dat laatste gold voor de Kerkendijk tussen Someren en de grenskerk De Hutten bij Nederweert (fig. 5). De routes worden in cultuurhistorisch opzicht gekenmerkt door laanbeplantingen (vooral eiken) en het voorkomen van oude nederzettingskernen met hun kerken of kapellen. Daarnaast liggen aan weerszijden van deze routes ook de meeste archeologische complexen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen, en de oude bouwlandcomplexen met bolle akkers. Eén WCL (WCL 6) is gekozen vanwege de aanwezigheid van archeologische, historisch-geografische en historisch-ecologische waarden langs een oude doorgaande route.

De routes werden vanaf het midden van de 19de eeuw geleidelijk voorzien van wegverharding (grind of kasseien). Vanaf het begin van de 19de eeuw was een klein aantal ervan in gebruik als postroute.

 

4              oudste spoorverbindingen
De oudste spoorverbinding in Peelland loopt van Tilburg via Eindhoven, Helmond en Deurne naar het oosten. Dit tracé was onder andere van belang voor de ontsluiting van het vervenings- en turfwinningslandschap. Het oorspronkelijke station ‘Helenaveen’ (nu Halte) was in de hoogtijdagen van de turfstrooiselproductie één van de drukste goederenoverslagstations van Nederland.

 

5              politieke grenzen
Grenzen hebben in het verleden altijd een belangrijke rol gespeeld bij de regionale indeling van het cultuurlandschap. Dat geldt in Peelland in het bijzonder voor de oude gemeentegrenzen. Deze zijn op veel plaatsen nog op de een of andere manier herkenbaar in het landschap. Ze worden gemarkeerd door waterlopen, wegen, beplanting of gewoonweg door ‘open’ zones. Op veel plaatsen tonen de oude gemeentengrenzen nog het meanderende verloop van de beken vóór de kanalisering. Bij de beschrijving van enkele WCL wordt op de bijzondere rol van grenzen gewezen. Voor WCL 4 is er de beschikking over historische documenten over grensconflicten en het gemeenschappelijke gebruik van het Broek en de Broekkant. Daar resulteerden de conflicten in de aanleg van een sloot met wal, de zogenaamde Walgraaf. Overigens is voor alle gemeenten in de archieven wel informatie te vinden over de conflicten die zich er in het verleden hebben afgespeeld rond het gebruik van de gemeynt en de afbakening van gemeentegrenzen. In Gemert-Bakel zijn de oude gemeentegrenzen inmiddels het onderwerp van een ontwikkelplan (WCL5). Zeer bekend is de geschiedenis van de grenzen bij de voormalige ‘Hoenderboom’ in de Somerensche Heide. Dit toponiem verwijst naar een grensboom, die hier ooit groeide op een hoge zandopduiking in het natte heidelandschap. Toen de boom verdwenen was, werd het grenspunt gemarkeerd met een paal: de Hoenderboompaal, die we op kaarten -iets noordelijker- eveneens terugvinden als toponiem (fig. 6). De Hoenderboom (‘Honrebom’) wordt al in 1196 vermeld in een oorkonde over de scheiding tussen Sterksel en Someren. Vanaf de Hoenderboompaal waren vijf grenslijnen getrokken, die de heide verdeelden over de gemeynten van Heeze, Mierlo, Lierop, Someren en Sterksel.

Doordat veel historische grenzen na de gemeentelijke herindelingen niet langer functioneel zijn, wordt hun herkenbaarheid in het landschap bedreigd. Tegelijkertijd hebben ze hun stempel zo langdurig op het landschap gedrukt, dat ze bepalend zijn voor de regionale hoofdstructuur van het cultuurlandschap in Peelland. Specifieke aandacht voor de historische grenzen in het kader van eventuele regionale ontwerpen, maar ook in het kader van bestemmingsplannen, is daarom gewenst.