1.6 de gebiedsbeschrijvingen en de ontwikkelingsrichtingen

In het tweede hoofdstuk volgt een uitgebreide beschrijving van de veertien waardevolle cultuurlandschappen (WCL) van Peelland. Eerst wordt in de volgende, laatste paragraaf van dit hoofdstuk echter een korte opsomming gegeven van de Waardevolle Lijnelementen (WLE) die de WCL met elkaar verbinden. Deze opsomming spreekt grotendeels voor zich. Op de WLE wordt daarom niet gedetailleerd ingegaan.

 

De beschrijvingen van de WCL variëren in lengte. Soms is dat een indicatie van de verschillen in cultuurhistorische waarde en ontwikkelingsmogelijkheden. Meestal is de lengte van de beschrijving echter een afspiegeling van de beschikbare kennis. Soms zijn de beschrijvingen kort omdat veel begrippen en fenomenen in andere beschrijvingen van WCL worden toegelicht. Aan een uitvoerige gebiedsbeschrijving kan dus geen bijzondere ‘status’ worden ontleend.

 

Alle gebiedsbeschrijvingen volgen dezelfde opzet. De beschrijving begint met een omschrijving van het historisch belang van het WCL en van de belangrijkste ruimtelijke karakteristieken. Het historische belang wordt geduid vanuit het biografische perspectief. De ruimtelijke karakteristiek kan worden gelezen als de wijze waarop de landschapsgeschiedenis zich heeft vertaald in de maatvoering, ruimtelijke geleding en ‘gelaagdheid’ van het betreffende landschap. Daarna volgt een overzicht van de ontwikkelingsmogelijkheden in het kader van de reconstructie en de uivoering van streek- en bestemmingsplannen.

 

De bij de gebiedsbeschrijvingen aangegeven ontwikkelingsrichtingen zijn zowel algemeen (geldend voor het gehele WCL) als specifiek (geldend voor specifieke zones, terreinen of objecten daarbinnen). Telkens gaat het om ontwikkelingsmogelijkheden in een brede zin, dus om zowel mogelijkheden in de sfeer van grondgebruik, ruimtelijke vormgeving en inrichting als toeristisch-recreatieve bestemming. Dat laatste is van belang. Het benutten van de geschiedenis van plekken en landschappen mag niet beperkt blijven tot vormgeving. Ruimtelijke inrichting en vormgeving alleen garanderen nog geen overlevering van het historisch besef. Om dat de bereiken moeten inrichtingsplannen worden geïntegreerd met museale projecten en erfgoededucatieprogramma’s, kortom: met onze eigentijdse historische verhalen.

 

Bij de opsomming van ontwikkelingsrichtingen is dankbaar gebruik gemaakt van al bestaande ontwikkelplannen. Enkele van deze plannen (zoals voor Gemert-Bakel) zijn in het kader van de reconstructie reeds in uitvoering genomen. In alle gevallen gaat het om ontwikkelingen die gebruik maken van de landschapsgeschiedenis, of om ontwikkelingen die anderszins goed op de genese van het gebied aansluiten.

 

Afgezien van de gebiedsspecifieke ontwikkelingsrichtingen kunnen ontwikkelingsrichtingen worden aangegeven voor Peelland als geheel. Daarbij kan thematisch te werk worden gegaan. In heel Peelland zou bijvoorbeeld aandacht kunnen worden geschonken aan de ‘typisch Brabantse’ eikenlanen, of aan de herkenbaarheid van de oude gemeentegrenzen. We richten ons hier echter op vijf algemene punten.

 

Ten eerste: de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is zodanig opgesteld, dat ze een blauwdruk bevat voor een optimale ruimtelijke verscheidenheid en historische gelaagdheid, zowel binnen als tussen de WCL. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het kader van de reconstructie zou het handhaven (of versterken) van deze verscheidenheid en gelaagdheid telkens het belangrijkste uitgangspunt moeten zijn. Uit landschapsonderzoek blijkt dat ruimtelijke variatie bijdraagt aan een afwisselende leefomgeving, een hoge ruimtelijke kwaliteit, een hoge belevingswaarde en goede oriëntatiemogelijkheden.

 

Ten tweede: doordat Peelland een gradiëntrijke regio is, met veel afwisselingen van natte en droge biotopen en hoge en lage zones, biedt de streek goede perspectieven voor natuurontwikkeling. Het is bekend dat cultuurhistorie en natuurontwikkeling niet altijd even goed samen gaan. In Peelland zou deze gespannen relatie moeten worden doorbroken. Dat is onder andere mogelijk door de landschapsgeschiedenis een stevige plaats te geven in alle natuurontwikkelingsprojecten in de regio. De inbreng van de cultuurhistorie kan daarbij verschillen. Zo kunnen cultuurhistorici landschapsreconstructies leveren die gebruikt kunnen worden bij de formulering en onderbouwing van natuurdoeltypen en streefbeelden. Nu en dan kan worden volstaan met goede cultuurhistorische effectrapportages en archeologisch vooronderzoek. Dat laatste geldt overigens niet alleen voor natuurontwikkeling, maar ook voor het aanwijzen en creëren van waterbergingsgebieden. Voordeel van een goede integratie van cultuurhistorie en natuurontwikkeling is dat de cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap niet onbenut blijven.

 

Ten derde: de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Peelland bestaat bij de gratie van de onderlinge samenhang tussen de gekozen cultuurlandschappen en patronen van lijnelementen. Die samenhang drukt in zekere zin de historische en ruimtelijke identiteit uit van Peelland als geheel. Om deze regionale samenhang en identiteit ook in de toekomst een duurzaam karakter te verlenen zou een regionale ontwerpopdracht kunnen worden uitgeschreven voor landschapsarchitecten. Voor een dergelijke opdracht zou de regionale landschapsgeschiedenis als vertrekpunt moeten worden gekozen. Tevens zou voor de regio een overkoepelend erfgoededucatieplan kunnen worden opgesteld, waarin bestaande en nieuwe (museale) intiatieven worden ingebed en op elkaar worden afgestemd.

 

Ten vierde: het ontwikkelingspotentieel van de cultuurhistorie kan een meerwaarde verlenen aan de reconstructieplannen. Maar ook het ontwikkelingsdenken kent zijn grenzen. Sommige landschappen zijn beter af als ze met rust worden gelaten – dus met een ‘ethiek van onthouding’. Een ethiek van onthouding hoeft echter nog niet te leiden tot musealisering. We zouden het moeten aandurven om zowel op regionaal (streekplan) als lokaal niveau (bestemmingsplan) zones aan te wijzen waar ten behoeve van de historische kwaliteit wordt ingezet op een (zeer) lage dynamiek.

 

Ten vijfde: het archeologisch erfgoed neemt door zijn relatieve ‘onzichtbaarheid’ en kwetsbaarheid een bijzondere positie in. Het wordt al snel aangetast, ook in zones die een extensieve bestemming krijgen. Archeologische sporen worden dus niet alleen bedreigd bij bouwprojecten, maar ook bij de aanleg van (nieuwe) natuur en – zij het sluipender – bij maatregelen in het kader van de landbouw. Het is daarom van belang op op zowel regionaal als lokaal (gemeentelijk) niveau erfgoedplannen te ontwikkelingen die tijdig voorzien in archeologische afwegingen en uitvoeringstrajecten. De nieuwe, aanstaande Maltawetgeving vraagt van de verstoorders van het bodemarchief een financiële vergoeding voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dat onderzoek kent verschillende trajecten, van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek tot de uiteindelijke opgraving. De schade aan het archeologisch erfgoed en de daarmee samenhangende kosten kunnen worden gereduceerd met een goed regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Met erfgoedplannen kan worden geanticipeerd op uitvoeringstrajecten, maar uiteraard ook op concrete ontwikkelingsmogelijkheden. Ze zouden daarom naast een ‘Maltaparagraaf’ ook een ‘Belvedereparagraaf’ moeten bevatten.