1.4 het concept de biografie van het landschap

Bij het opstellen van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Peelland is gebruik gemaakt van een nieuwe methode: de landschapsbiografie.10 De landschapsbiografie is ontwikkeld als een alternatief voor de traditionele systematiek van cultuurhistorische waardering en selectie. Deze laatste wordt gekenmerkt door een sectorale aanpak. Dat wil zeggen dat de verschillende disciplines – de archeologie, de historische geografie, de architectuurgeschiedenis en de (historische) ecologie – elk hun eigen keuzes maken. In laatste instantie worden deze keuzes over elkaar heen gelegd en ‘gestapeld’. De optelsom van waarden bepaalt dan doorgaans welke terreinen of objecten in cultuurhistorisch opzicht het meest waardevol zijn. Uitgangspunt van de sectorale waardestellingen wordt gevormd door de ‘relicten’: min of meer losse sporen of patronen die zijn overgeleverd uit het verleden. Bij de sectorale werkwijze worden de sporen in een gebied per discipline op een uniforme wijze gewaardeerd. Dat wil zeggen dat alle relicten langs dezelfde meetlat gelegd worden, bijvoorbeeld door ze te beoordelen op hun gaafheid en (landelijke en regionale) zeldzaamheid of representativiteit.

 

Een nadeel van de sectorale aanpak is dat de historische en ruimtelijk-functionele samenhangen tussen verschillende cultuurhistorische waarden onvoldoende tot hun recht komen en worden meegewogen. Bovendien laat de waarde van verschillende sporen uit het verleden zich niet altijd beoordelen op basis van dezelfde criteria. Doen we dat wel, dan bestaat de kans dat de unieke bijdrage van een object of landschap aan de historische ontwikkelingen in een gebied over het hoofd wordt gezien. De historische waarde van een landschap bestaat overigens uit veel meer dan de ‘kale sporen’. Ze is evengoed afhankelijk van de verhalen, gemeenschappelijke ervaringen en betekenissen die deze sporen ‘omringen’, zodat ook deze bij cultuurhistorische waardebepalingen moeten worden meegewogen.

 

Bij een landschapsbiografie wordt het uitgangspunt niet zozeer gevormd door sectorale beschrijvingen van afzonderlijke cultuurhistorische relicten, maar juist door hun historische context en het historisch verhaal achter de relicten. Uitgangspunt is, kortom, de ‘levensgeschiedenis’ van het landschap. In de eerste plaats wordt gekeken naar de rol die een object of landschap heeft gespeeld in de historische ontwikkeling van een plek of regio, en in de geschiedenis van een gemeenschap. Daarbij gaat het niet alleen om de economisch-sociale ontwikkeling, maar ook om de culturele en religieuze. Van belang zijn uiteraard de economische gebruiksfuncties die het landschap in de loop van de tijd heeft gehad. Maar evengoed dient te worden gekeken naar de betekenissen die mensen in het verleden aan het landschap hebben toegekend: het geheel van ideëen, mentaliteiten, culturele tradities en (religieuze) ervaringen die op de een of andere manier met het landschap samenhangen en daarin zijn uitgedrukt. De beleving van het landschap heeft zich vaak weer uitgedrukt in plaats- en veldnamen (toponiemen) en talloze verhalen en anecdotes over plekken, met andere woorden: in de volkscultuur.

 

De biografische benadering levert ook een andere insteek op voor cultuurhistorische waarderingen en selecties. Ze biedt landschappen als het ware de kans om hun ‘eigen’ historische verhaal te vertellen: hun specifieke bijdrage aan de historische ontwikkeling van de streek, in dit geval Peelland. Van een uniforme waardering van terreinen en objecten is bij een landschapsbiografie dan ook niet altijd sprake. Eerder wordt gekozen voor een gedifferentieerde benadering, waarbij uiteenlopende historische argumenten worden gebruikt. We zullen dat kort toelichten aan de hand van twee Peellandse voorbeelden. Ten zuiden van Lieshout ligt een waardevol cultuurlandschap met archeologische sporen en patronen in de ondergrond, die tesamen het verhaal vertellen over een hoevenlandschap dat zich hier in de Middeleeuwen uitstrekte (zie WCL2 bij de beschrijving van de waardevolle cultuurlandschappen van Peelland). De ruimtelijke structuur van dat hoevenlandschap heeft doorgewerkt in het latere patroon van gehuchten, dat nu nog steeds kenmerkend is voor het dit deel van Peelland. Om deze reden is dit landschap voorgedragen voor opname in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Bij Helenaveen (WCL9 in de toelichting) is een heel ander argument gebruikt. Hier geeft het cultuurlandschap vooral een goed beeld van de post-middeleeuwse ontginnings- en verveningsgeschiedenis. Ook in dit landschap bevinden zich overigens archeologische sporen, maar ze vormen niet het hoofdargument voor selectie. Zouden we een gelijk gewicht toekennen aan de verschillende sectorale waarden, dan zou de specifieke cultuurhistorische kwaliteit van deze landschappen worden ‘uitgemiddeld’ en naar de achtergrond worden gedrongen. Bovendien zouden we het gebied bij Lieshout in de cultuurhistorische hoofdstructuur dan wellicht niet meer tegenkomen – ondanks het bijzondere verhaal dat dit landschap over de historie van Peelland vertelt.

 

Uit het bovenstaande blijkt al, dat de biografische benadering eerder integraal dan sectoraal is. Dat wil zeggen dat niet bij voorbaat een onderscheid wordt gemaakt tussen archeologische, historisch-geografische, architectuurhistorische en andere cultuurhistorische waarden. Zowel vanuit het oogpunt van de landschapsgeschiedenis als de hedendaagse beleving van het landschap hangen al deze zaken samen, vormen ze één landschap – één woonomgeving.

 

Een biografische studie van een regio levert een inzicht op in de eigenheid van de daarin aanwezige cultuurlandschappen. Een belangrijk begrip is in dit verband de gelaagdheid van het landschap. Dit begrip staat voor de mate waarin het landschap vandaag de dag nog zijn ontwikkelingsgeschiedenis laat zien. Die gelaagdheid is meestal ook weer een goede graadmeter voor de eigenheid en (ruimtelijke) verscheidenheid van landschappen. Maar de karaktrek van een landschap kan ook worden beschreven in termen van historische dynamiek of ontwikkelingstendenzen. Niet alle cultuurlandschappen zijn in het verleden even snel veranderd, of in dezelfde opzichten. En dat gegeven kunnen we weer gebruiken voor het uitstippelen van ontwikkelingsrichtingen voor de toekomst. Ontwikkelingen, wel te verstaan, die goed passen bij de geschiedenis, maatvoering en inrichting van het bestaande landschap, en die de cultuurhistorie dus als uitgangspunt nemen.

 

Dat laatste is tevens een belangrijk vertrekpunt van het nieuwe cultuurhistorische beleid in Nederland, zoals dat onder andere is vastgelegd in de Nota Belvedere.11 Deze nota is een pleidooi voor het benutten van cultuurhistorische kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen en inrichtingsplannen. Daarmee kan worden bewerkstelligd dat het toekomstige landschap geen museum wordt met ‘dode’, geïsoleerde relicten, maar dat vanuit het verleden juist ontwikkelingslijnen worden doorgetrokken om de historische dimensie van het landschap levend en leefbaar te houden.

 

De methode van de landschapsbiografie zoals die aan de Vrije Universiteit is ontwikkeld, wordt inmiddels in verschillende cultuurhistorische projecten toegepast. Daarnaast is de methode onderwerp van een wetenschappelijk onderzoeksprogramma: het Stimuleringsprogramma Bodemarchief in Behoud en Ontwikkeling (BBO) van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). In dat programma wordt momenteel door de Vrije Universiteit een onderzoek uitgevoerd van de Biografie van het Zuid-Nederlandse zandlandschap. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Peelland is daarvan een onderdeel.

10 Hidding/Kolen/Spek 2001.
11 Nota Belvedere 1999.